Taal en wiskunde oefenen in het 4de leerjaar
In het 4de leerjaar verwerken kinderen langere teksten, passen ze uitgebreidere spellingregels toe en leren ze duidelijker schrijven. Bij wiskunde leren ze de breuken kennen en oefenen ze met grotere getallen, bewerkingen, meten en meetkunde.
Taalvaardigheden
Oefen spelling, begrijpend lezen, schrijven, luisteren, taalbeschouwing en woordenschat.
Spelling
Pas spellingregels toe bij moeilijkere woorden en werkwoordsvormen.
Begrijpend lezen
Zoek hoofdgedachten, belangrijke details en verbanden in teksten.
Schrijven
Bouw duidelijke teksten op met passende woorden, alinea’s en leestekens.
Luisteren
Luister gericht en haal hoofd- en bijzaken uit uitleg en verhalen.
Taalbeschouwing
Onderzoek woordsoorten, zinsdelen en de opbouw van zinnen.
Woordenschat
Ontdek nieuwe woorden en leid hun betekenis af uit de context.
Wiskundevaardigheden
Werk stap voor stap aan getallen, bewerkingen, meten en meetkunde.
Getallen
Lees, schrijf, vergelijk en orden grotere getallen, breuken en kommagetallen.
Bewerkingen
Oefen hoofdrekenen, cijferen, de tafels en de vier hoofdbewerkingen.
Meten
Werk met lengte, gewicht, inhoud, oppervlakte, tijd en geld.
Meetkunde
Onderzoek hoeken, lijnen, symmetrie, vlakke figuren en ruimtefiguren.
