In het kort. Afronden doe je door naar één cijfer te kijken: het cijfer rechts van de plaats waarop je afrondt. Is dat 0 tot en met 4, dan rond je naar beneden. Is het 5 tot en met 9, dan naar boven. Eén cijfer, niet het hele getal, en nooit in twee stappen.
Afronden lijkt de eenvoudigste regel uit de wiskundeles, en toch verdwijnt hij bij veel kinderen binnen de maand. Dat komt omdat ze hem verkeerd onthouden hebben: ze kijken naar het hele getal in plaats van naar één cijfer, of ze ronden af in etappes. In dit artikel staat de regel helder, met de twee klassieke valkuilen en uitgewerkte voorbeelden op tiental, honderdtal en duizendtal.
Op deze pagina
- De regel in één zin
- Afronden op het tiental
- Afronden op het honderdtal en het duizendtal
- De valkuil bij een 5
- De valkuil van afronden in twee stappen
- In een oogopslag
- Veelgestelde vragen
De regel in één zin
Kijk naar het cijfer dat direct rechts staat van de plaats waarop je afrondt. Is het 0, 1, 2, 3 of 4, dan blijft het getal op die plaats staan en worden alle cijfers erachter nul. Is het 5, 6, 7, 8 of 9, dan gaat het getal op die plaats één omhoog en worden alle cijfers erachter nul.
Het belangrijkste woord in die regel is direct. Je kijkt naar precies één cijfer, niet naar wat erachter komt. Bij afronden op het honderdtal kijk je naar het tiental, en de eenheden doen niet mee, hoe groot ze ook zijn.
Waarom die regel bestaat, is de moeite om te vertellen: je zoekt het ronde getal dat het dichtst bij het jouwe ligt. 347 ligt dichter bij 350 dan bij 340, dus je rondt naar boven. Kinderen die dat idee vasthebben, kunnen de regel desnoods zelf opnieuw bedenken.
Afronden op het tiental
Je kijkt naar de eenheden, het cijfer helemaal rechts.
- 342 wordt 340. De eenheid is 2, dus naar beneden. Het tiental blijft 4.
- 347 wordt 350. De eenheid is 7, dus naar boven. Het tiental gaat van 4 naar 5.
- 345 wordt 350. Bij een 5 rond je naar boven. Daarover zo meteen meer.
- 398 wordt 400. De eenheid is 8, dus naar boven. Het tiental 9 wordt 10, en dat schuift door naar het honderdtal. Dit geval vergeten kinderen vaak.
Dat laatste voorbeeld is het lastigste van allemaal. Wie mechanisch één bij het tiental optelt, schrijft 3100 of blijft steken. Laat je kind hier hardop zeggen wat er gebeurt: negen tientallen plus één is tien tientallen, en tien tientallen zijn een honderdtal.
Afronden op het honderdtal en het duizendtal
Hetzelfde principe, alleen kijk je naar een ander cijfer. Bij het honderdtal kijk je naar het tiental, bij het duizendtal naar het honderdtal.
- 1472 op het honderdtal wordt 1500. Het tiental is 7, dus naar boven.
- 1448 op het honderdtal wordt 1400. Het tiental is 4, dus naar beneden. Dat er daarna een 8 staat, verandert niets.
- 8640 op het duizendtal wordt 9000. Het honderdtal is 6, dus naar boven.
- 8420 op het duizendtal wordt 8000. Het honderdtal is 4, dus naar beneden.
Vergelijk het tweede voorbeeld eens met het eerste. 1472 en 1448 liggen maar 24 uit elkaar, en toch gaat de ene naar 1500 en de andere naar 1400. Dat is precies waarom je naar het juiste cijfer moet kijken en niet naar het gevoel dat een getal groot of klein is.
De valkuil bij een 5
Wat doe je met 345? 345 ligt precies in het midden tussen 340 en 350, dus er is geen dichtstbijzijnde. In het lager onderwijs is de afspraak: bij een 5 rond je naar boven. 345 wordt dus 350, en 1450 wordt 1500.
Noem dat ook een afspraak, want dat is het. Er bestaan andere afspraken, bijvoorbeeld in de statistiek, waar men bij een 5 naar het dichtstbijzijnde even getal afrondt om te vermijden dat alles stelselmatig omhooggaat. In het lager onderwijs gebruik je die niet, maar het is geruststellend voor een kind om te horen dat dit een keuze is en geen natuurwet.
Let op één verwarring: de regel bij een 5 geldt alleen als die 5 op de plaats staat waar je naar kijkt. Bij 1450 afgerond op het duizendtal kijk je naar het honderdtal, en dat is een 4. Dus 1450 wordt 1000, niet 2000.
De valkuil van afronden in twee stappen
Dit is de fout die het vaakst onopgemerkt blijft, en ze ziet er logisch uit.
Neem 1448 en rond af op het honderdtal. Een kind rondt eerst af op het tiental: 1448 wordt 1450. Dan rondt het dat af op het honderdtal: 1450 wordt 1500. Het antwoord 1500 lijkt netjes verkregen, maar het is fout. Het juiste antwoord is 1400, want je kijkt naar het tiental van het oorspronkelijke getal, en dat is 4.
De regel is dus: rond altijd af in één keer, vanaf het oorspronkelijke getal. Een tussenstop verandert het cijfer waar je naar kijkt, en dan klopt het resultaat niet meer.
Laat je kind dit één keer zelf zien door beide manieren naast elkaar te zetten en te vragen welk rond getal het dichtst bij 1448 ligt. 1400 is 48 verwijderd, 1500 is 52 verwijderd. De eerste wint, en dat sluit het gesprek. Oefenreeksen op afronden vind je bij de getallen op Taalkrak.
In een oogopslag
| Getal | Afronden op | Cijfer waar je naar kijkt | Resultaat |
|---|---|---|---|
| 342 | Tiental | 2 (eenheid) | 340 |
| 347 | Tiental | 7 (eenheid) | 350 |
| 398 | Tiental | 8 (eenheid) | 400 |
| 1472 | Honderdtal | 7 (tiental) | 1500 |
| 1448 | Honderdtal | 4 (tiental) | 1400 |
| 8640 | Duizendtal | 6 (honderdtal) | 9000 |
| 8420 | Duizendtal | 4 (honderdtal) | 8000 |
Eén cijfer, één keer kijken, en nooit in etappes afronden.
Veelgestelde vragen
Naar het cijfer direct rechts van de plaats waarop je afrondt. Bij afronden op het honderdtal is dat het tiental.
In het lager onderwijs rond je bij een 5 naar boven. Dat is een afspraak, want zo’n getal ligt precies in het midden tussen de twee mogelijkheden.
Omdat je naar het tiental van het oorspronkelijke getal kijkt, en dat is 4. Eerst afronden op het tiental en dan op het honderdtal is een veelgemaakte fout.
Nee. Rond altijd in één keer af vanaf het oorspronkelijke getal, anders verandert het cijfer waar je naar kijkt.
Meestal in het derde leerjaar op tiental en honderdtal, en vanaf het vierde ook op duizendtal en bij grotere getallen.
Dan schuift het door. 398 afgerond op het tiental wordt 400, want negen tientallen plus één zijn tien tientallen, en dat is een honderdtal.
