Woorden van de week
Elke week een thema met twintig woorden, telkens met een duidelijke foto en ingesproken in het Vlaams. Om samen te bekijken, te beluisteren en in te oefenen.
- 52 thema’s, het hele schooljaar door
- 10 basiswoorden en 10 uitbreidingswoorden
- de en het in een eigen kleur
Woordenlijst en flitsen
Kies een thema en bekijk alle woorden tegelijk, of laat ze één voor één groot verschijnen. Tik op een woord en je hoort het. Werkt op het digibord, op een computer en op een tablet. Je kan het woord ook inspreken in de moedertaal bij het flitsen, voor extra ondersteuning.
De oefeningen
Bij elk thema horen oefeningen om de woorden echt in te oefenen: luisteren, lezen, spellen en schrijven. Je vindt ze in de cursus Woorden van de week. Het thema ‘De school’ staat open, zodat je de oefeningen kan uitproberen.
Zo werkt het
Kies het thema
De thema’s volgen het schooljaar: de school in september, de herfst in oktober, de winter in december. Een aantal thema’s kan je op elk moment gebruiken.
Bekijk en beluister
Toon de woordenlijst op het digibord en praat samen over de foto’s. Met flitsen herhaal je de woorden elke dag even, één voor één.
Oefen
Daarna oefenen de kinderen zelf met dezelfde foto’s en opnames: eerst luisteren en kijken, dan lezen, en pas daarna spellen en schrijven.
De woordenlijst en flitsen
Kies bovenaan het thema en of je de basiswoorden, de uitbreidingswoorden of alle twintig wil zien.
- Woord verbergen: de kinderen zien eerst alleen de foto en zeggen zelf het woord.
- Door elkaar: de woorden in een andere volgorde.
- Vanzelf verder: de woorden komen vanzelf, met tijd om na te zeggen. Pauzeren kan altijd.
- Geluid uit: als je de woorden liever zelf zegt.
De oefeningen
Bij elk thema horen dezelfde soorten oefeningen. Zo weet een kind na een paar weken precies wat het moet doen, en kan het zich op de woorden zelf richten. De woorden worden telkens anders gekozen, dus een oefening opnieuw maken is nooit hetzelfde.
Hoor en kies
Luister naar het woord en kies de juiste foto.
Koppel het woord aan de foto
Verbind elke foto met het juiste woord. Elk woord kan je beluisteren.
Memory
Zoek de foto en het woord die bij elkaar horen. Elke kaart zegt het woord als ze opengaat.
Juist of fout?
Past het woord bij de foto?
Lees en kies
Lees het woord, zonder geluid, en kies de juiste foto.
Welke hoort er niet bij?
Drie foto’s horen bij het thema, één niet. Welke?
Wat hoor je eerst?
Luister naar het woord en kies de klank waarmee het begint.
Leg de letters
De letters van het woord staan door elkaar. Leg ze in de juiste volgorde.
Bouw het woord
Leg het woord met de klanken uit de letterdoos.
Schrijf het woord
Kijk naar de foto en schrijf het woord, met de vinger, de stift of het toetsenbord.
De of het?
Sleep elk woord naar de juiste bak. Bij thema’s met genoeg het-woorden, en in één oefening met de woorden van alle thema’s samen.
De thema’s
De thema’s volgen het schooljaar. De thema’s onder “Op elk moment” passen het hele jaar door. Er komen geregeld nieuwe thema’s bij.
September
- De school
- In de klas: opdrachten
- Mijn lichaam
- Huisdieren
- Fruit
Oktober
- Groenten
- De herfst
- Het weer
November
- Kleren
- Het verkeer
- Het huis
December
- De winter
- In de zee en op het ijs
Januari
- In de keuken
- Eten en drinken
- Speelgoed
- Beroepen
Februari
- Bij de dokter
- De badkamer
- De winkel
Maart
- De lente
- De boerderij
April
- In de tuin
- Aan het water
Mei
- De speeltuin
- Sport
- In de zoo
Juni
- In de stad
- Aan zee
- Op reis
Zomervakantie
- De camping
- De picknick
Op elk moment
- Wat doe ik?
- De ruimte
- Kleine beestjes
- Vormen
- Mijn gezicht
- De slaapkamer
- Het huishouden
- Voertuigen
- Landschappen
- Dieren in het bos
- Knutselen
- Kleuren
- Hoe voel ik me?
- Waar is de poes?
- De kermis
- Snoep en drankjes
- Bij de bakker
- Op restaurant
- De post
- De tijd
Voor wie?
Voor de klas
Voor de derde kleuterklas en de eerste graad, en voor kinderen die Nederlands leren. Gebruik de woordenlijst bij de start van een thema, flitsen als korte herhaling bij het begin van de dag, en de oefeningen voor zelfstandig werk of in een hoek.
Thuis
Voor ouders die thuis de woordenschat willen uitbreiden, of mee willen volgen met wat in de klas aan bod komt. Een kind kan de woorden zelf beluisteren, zo vaak als het wil, ook als niemand thuis Nederlands spreekt.
Vragen
Wat is het verschil tussen basis en uitbreiding?
De tien basiswoorden zijn de woorden die elk kind bij een thema zou moeten kennen. De tien uitbreidingswoorden zijn iets moeilijker of minder bekend. Je kiest zelf of je met de basis, de uitbreiding of alle twintig woorden werkt.
Waarom staat het lidwoord erbij?
Omdat de en het bij het woord horen. Wie “het konijn” leert, hoeft dat later niet apart te onthouden. Daarom zie en hoor je het lidwoord altijd, en staan de en het elk in een eigen kleur.
Moet ik iets installeren?
Nee. Alles werkt in de browser, op het digibord, een computer, een tablet of een gsm.
Hoe kom ik bij de oefeningen?
De oefeningen zitten in de cursus Woorden van de week. Met een abonnement log je in en klik je bovenaan deze pagina op Naar de oefeningen.
Aan de slag
Begin met de woordenlijst van deze week. Die is gratis, je hoeft niet aan te melden.
