Vraagstukken oplossen: een stappenplan dat echt werkt

In het kort. Een vraagstuk los je op in zes stappen: lezen, de vraag onderstrepen, de nodige gegevens zoeken, de bewerking kiezen, uitrekenen en controleren. Bij elke stap hoort een vraag die je kind zichzelf stelt, en die vraag is belangrijker dan de stap zelf.

De meeste stappenplannen voor vraagstukken stranden om dezelfde reden: ze staan op een kaartje aan de muur en niemand gebruikt ze. Een plan werkt pas als het uit een handeling bestaat die je kind echt uitvoert, met een potlood in de hand.

Hieronder staat zo een plan, met per stap een sleutelvraag en een handeling. Daarna werken we een vraagstuk volledig uit en lees je hoe je het plan inslijpt zonder dat het een ritueel wordt.

Op deze pagina

  1. Waarom een stappenplan helpt
  2. Het stappenplan in zes stappen
  3. Een vraagstuk volledig uitgewerkt
  4. Wat je vraagt in plaats van voor te zeggen
  5. Hoe je het plan laat zitten
  6. Aanpassen per leerjaar

Waarom een stappenplan helpt

Bij een vraagstuk moet je kind verschillende dingen tegelijk doen: lezen, begrijpen, selecteren, kiezen, rekenen en controleren. Dat is veel om in het hoofd te houden, zeker als het rekenen zelf nog aandacht vraagt.

Een stappenplan haalt die last weg door de volgorde vast te leggen. Je kind hoeft niet meer te bedenken wat het nu moet doen, alleen nog hoe. Dat scheelt precies genoeg ruimte om over de inhoud na te denken.

Het tweede voordeel is dat een fout zichtbaar wordt op de plek waar hij ontstaat. Gaat het mis bij stap 2, dan weet je dat het niet aan het rekenen ligt. Zonder plan zie je alleen een fout eindantwoord.

Het stappenplan in zes stappen

  1. Lees het hele vraagstuk. Sleutelvraag: waar gaat dit over? Laat je kind het verhaaltje in eigen woorden navertellen voor er iets op papier komt.
  2. Onderstreep de vraag. Sleutelvraag: wat wordt er precies gevraagd? Meestal is dat de laatste zin. Laat je kind die apart overschrijven.
  3. Zoek de gegevens die je nodig hebt. Sleutelvraag: welke getallen heb ik nodig, en welke niet? Omcirkel ze met hun eenheid erbij, dus 7 euro en niet 7.
  4. Kies de bewerking of maak een tekening. Sleutelvraag: wordt het antwoord groter of kleiner dan waar ik mee start? Bij twijfel eerst tekenen, dan pas kiezen.
  5. Reken uit. Sleutelvraag: klopt mijn berekening? Schrijf de bewerking voluit op, ook als het hoofdrekenen lukt.
  6. Controleer en antwoord in een zin. Sleutelvraag: beantwoordt dit de onderstreepte vraag, en staat de juiste eenheid erbij?

Stap 6 wordt het vaakst overgeslagen en levert het meeste op. Een kind dat het antwoord terugleest naast de onderstreepte vraag, vangt zijn eigen misverstanden op.

Een vraagstuk volledig uitgewerkt

Een klas van 24 leerlingen gaat op uitstap. Ze vertrekken om 9.15 uur. Elke leerling betaalt 7 euro voor het ticket. De juf betaalt alles samen met twee briefjes van 100 euro. Hoeveel krijgt ze terug?

StapWat je kind doet
1. LezenEen klas gaat op uitstap en de juf betaalt de tickets.
2. Vraag onderstrepenHoeveel krijgt ze terug?
3. Gegevens zoeken24 leerlingen, 7 euro per ticket, 200 euro betaald. Het vertrekuur heb ik niet nodig.
4. Bewerking kiezenEerst de totale prijs: 24 keer 7. Daarna het wisselgeld: 200 min de totale prijs.
5. Uitrekenen24 x 7 = 168 en 200 – 168 = 32.
6. ControlerenDe juf krijgt 32 euro terug. Dat is minder dan 200, dus dat kan kloppen.

Twee dingen vallen op. Het vertrekuur staat er alleen om te oefenen op selecteren. En het antwoord op stap 5 bestaat uit twee berekeningen, want dit is een vraagstuk met een tussenstap. Hoe je die verborgen tussenvraag opspoort, staat in ons artikel over meerstapsvraagstukken.

Wat je vraagt in plaats van voor te zeggen

Thuis loopt het bij vraagstukken meestal mis op hetzelfde punt: je kind zit vast, jij ziet meteen welke bewerking nodig is, en dan is het bijna onmogelijk om dat niet te zeggen. Het probleem is dat je daarmee precies de stap overneemt die geoefend moet worden — want rekenen lukt meestal wel, het kiezen niet.

Per stap bestaat er een hulpvraag die stuurt zonder inhoud te geven. Gebruik ze in volgorde en stop zodra je kind weer verder kan.

Waar je kind vastzitWat je vraagtWat je niet zegt
Weet niet waar te beginnen“Lees nog eens luidop. Waarover gaat het?”“Je moet vermenigvuldigen.”
Snapt de situatie niet“Kan je het natekenen of naspelen?”“Kijk, het zijn vier groepjes van zes.”
Weet niet wat gevraagd wordt“Welke zin is de vraag? Onderstreep die eens.”“Ze vragen hoeveel er overblijven.”
Kiest de verkeerde bewerking“Wordt het meer of minder dan wat je al had?”“Dat is delen.”
Rekent maar twijfelt“Kan dat antwoord kloppen, denk je?”“Nee, dat is fout.”
Is klaar maar antwoordde niet“Lees de vraag nog eens — heb je daarop geantwoord?”“Je moet er nog euro achter zetten.”

Die vijfde vraag — kan dat kloppen? — is de waardevolste van de zes. Wie leert schatten of een antwoord plausibel is, vangt zelf de helft van de fouten op, en dat werkt ook op een toets waar jij niet naast zit.

Lukt het na twee hulpvragen nog niet, stop dan bij dat vraagstuk en zet een streepje. Blijven doorduwen levert zelden nog inzicht op, en het maakt van vraagstukken het onderdeel waar je kind tegenop gaat zien.

Hoe je het plan laat zitten

  • Begin met makkelijke sommen. Het plan moet ingeoefend worden op vraagstukken waarvan het rekenen vlot gaat, anders vraagt alles tegelijk aandacht.
  • Doe de eerste keren hardop mee. Jij stelt de sleutelvraag, je kind doet de handeling. Daarna draai je het om.
  • Laat de stappen zien op papier. Onderstrepen en omcirkelen zijn geen versiering, het zijn de stappen zelf.
  • Bouw af. Zodra het loopt, mag je kind stappen in het hoofd doen. Bij een moeilijk vraagstuk komt het potlood er weer bij.
  • Vier stap 6. Elke keer dat je kind een eigen fout ontdekt bij het controleren, is dat winst en geen fout.

Lukt het lezen zelf nog moeizaam, dan is dit plan te veel ineens. Kijk in dat geval eerst bij ons artikel over vraagstukken en begrijpend lezen.

Aanpassen per leerjaar

LeerjaarWat je aanpast
1ste en 2dedrie stappen: lezen, uitrekenen, antwoorden in een zin
3de en 4dehet volledige plan, met tekenen als hulpmiddel bij stap 4
5de en 6dehet plan in het hoofd, op papier alleen bij meerstapsvraagstukken

Oefeningen per leerjaar vind je op onze pagina met vraagstukken.

In één oogopslag

StapSleutelvraag
1. LezenWaar gaat dit over?
2. Vraag onderstrepenWat wordt er gevraagd?
3. Gegevens zoekenWelke getallen heb ik nodig?
4. Bewerking kiezenWordt het groter of kleiner?
5. UitrekenenKlopt mijn berekening?
6. ControlerenBeantwoordt dit de vraag?

Tot slot

Een stappenplan is geen trucje om sneller aan een antwoord te komen, maar een manier om het denken zichtbaar te maken. Neem bij het volgende huiswerk een vraagstuk waarvan het rekenen makkelijk is, en loop de zes stappen samen af met het potlood in de hand. Twee keer per week is voor veel kinderen genoeg om het te laten zitten.

Wat is een goed stappenplan voor vraagstukken?

Zes stappen: lees het hele vraagstuk, onderstreep de vraag, zoek de gegevens die je nodig hebt, kies de bewerking of maak een tekening, reken uit en controleer je antwoord in een volledige zin.

Waarom moet mijn kind de vraag onderstrepen?

Omdat veel fouten ontstaan doordat er een andere vraag wordt beantwoord dan die er staat. Door de vraag te onderstrepen en over te schrijven, blijft ze in beeld tijdens het rekenen.

Hoe herken je welke bewerking je nodig hebt?

Laat je kind zich afvragen of het antwoord groter of kleiner wordt dan de getallen waarmee het start. Helpt dat niet, laat het dan eerst een eenvoudige tekening maken van de situatie.

Waarom staan er gegevens in die je niet nodig hebt?

Om te oefenen op het selecteren van informatie. Laat je kind de nodige getallen omcirkelen met hun eenheid erbij, dan vallen de overbodige vanzelf weg.

Werkt hetzelfde stappenplan in elk leerjaar?

De kern blijft gelijk, maar de omvang niet. In het eerste en tweede leerjaar volstaan drie stappen. Vanaf het derde werkt het volledige plan, en vanaf het vijfde gaan de meeste stappen in het hoofd.

Hoe zorg je dat het plan gebruikt wordt?

Oefen het in op vraagstukken waarvan het rekenen makkelijk is, doe de eerste keren hardop mee en laat de stappen zichtbaar op papier staan. Bouw pas af als het vanzelf gaat.