Vraagstukken zesde leerjaar: procenten, verhoudingen en snelheid

In het kort. In het zesde leerjaar draaien vraagstukken vooral rond procenten, verhoudingen, snelheid en oppervlakte. De aanpak is telkens dezelfde vorm: zoek eerst de waarde van één eenheid of van één procent, en vermenigvuldig die daarna. 20 procent van 250 is dus 250 gedeeld door 100, maal 20, is 50.

Het zesde leerjaar is het jaar van de voorbereiding. De vraagstukken lijken op wat er in het eerste jaar secundair volgt: meer stappen, meer eenheden en vaker een formule die je moet kennen in plaats van afleiden. Tegelijk blijft de onderliggende werkwijze dezelfde als in de lagere leerjaren.

Hieronder staan de zes types die dit jaar het zwaarst wegen, met per type de aanpak en een uitgewerkt voorbeeld, plus wat er bij de overstap naar het secundair verandert.

Op deze pagina

  1. Wat het zesde leerjaar extra vraagt
  2. Zes types met de aanpak
  3. Procenten: de drie vragen die terugkomen
  4. De overstap naar het secundair
  5. Oefenen met echte situaties

Wat het zesde leerjaar extra vraagt

Drie verschuivingen springen eruit. Er wordt vaker met formules gewerkt, de opgaven bevatten meer stappen achter elkaar, en de context is realistischer: kortingen, snelheden, oppervlaktes van echte tuinen en kamers.

Wat daarbij opvalt is dat de rekenfouten afnemen en de structuurfouten toenemen. Een leerling die 20 procent verwart met delen door 20, rekent verder foutloos en komt toch verkeerd uit. Daarom is het in dit jaar nuttiger om de aanpak te controleren dan het eindantwoord.

De basis waarop dit voortbouwt, staat in ons artikel over vraagstukken in het vijfde leerjaar.

Zes types met de aanpak

TypeAanpakUitgewerkt voorbeeld
1. Procent van een getaldeel door 100, maal het percentage20 procent van 250: 250 : 100 = 2,5 en 2,5 x 20 = 50
2. Korting berekenenbereken de korting, trek ze af van de prijsJas van 80 euro met 25 procent korting: 80 : 100 x 25 = 20, dus 80 – 20 = 60 euro
3. Hoeveel procent is dit?deel het deel door het geheel, maal 10015 van de 60 leerlingen: 15 : 60 = 0,25 en 0,25 x 100 = 25 procent
4. Verhouding en schaalzoek de waarde van één eenheidSchaal 1 op 200, 4 cm op het plan: 4 x 200 = 800 cm, dus 8 meter
5. Snelheid, afstand en tijdsnelheid is afstand gedeeld door tijd150 km in 2 uur: 150 : 2 = 75 km per uur
6. Oppervlakte in contextbereken de oppervlakte, reken dan per eenheidTuin van 12 op 8 meter, gras kost 3 euro per m2: 12 x 8 = 96 en 96 x 3 = 288 euro

Kijk naar de middelste kolom: vijf van de zes aanpakken bestaan uit twee bewerkingen. Dat is geen toeval. In dit leerjaar is de tussenstap de norm, en het is ook precies daar waar leerlingen stoppen met een antwoord dat eigenlijk een tussenantwoord is.

Procenten: de drie vragen die terugkomen

Procentopgaven zien er verschillend uit maar vallen in drie vormen uiteen. Wie die drie uit elkaar houdt, heeft het grootste deel van dit hoofdstuk te pakken.

  1. Hoeveel is x procent van dit getal? Deel door 100 en vermenigvuldig met het percentage. Het antwoord is altijd kleiner dan het geheel, tenzij het percentage boven 100 ligt.
  2. Hoeveel procent is dit deel van het geheel? Deel het deel door het geheel en vermenigvuldig met 100. Het antwoord is altijd een percentage, dus geen euro of kilogram.
  3. Wat is de nieuwe prijs na korting of verhoging? Bereken eerst het bedrag van de korting, trek het daarna af. Je kunt ook meteen met het overblijvende percentage rekenen: 25 procent korting betekent dat je 75 procent betaalt.

Die laatste snelweg is handig maar niet vanzelfsprekend. Laat je kind hem pas gebruiken als de lange weg zit, anders wordt 75 procent van 80 een truc zonder begrip. Een praktische steun is 1 procent: dat is altijd het getal gedeeld door 100, en vanaf daar kun je elk percentage opbouwen.

De overstap naar het secundair

  • Formules worden vaker verondersteld. In het lager onderwijs staat een formule er nog bij, daarna niet meer. Het loont om oppervlakte, omtrek en snelheid uit het hoofd te kennen.
  • De tussenstappen moeten zichtbaar zijn. In het secundair worden punten toegekend aan de werkwijze. Wie alleen het eindantwoord neerschrijft, verliest die punten ook als het klopt.
  • De eenheid telt mee. Een antwoord zonder eenheid is in het secundair vaak gewoon fout.
  • Er wordt meer geschat. Een ruwe controle vooraf is er de norm, niet de uitzondering.
  • De taal wordt formeler. Woorden als som, verschil, product en quotient duiken vaker op in opgaven.

Die laatste twee zijn thuis makkelijk voor te bereiden, gewoon door ze te gebruiken in gewone gesprekken over huiswerk.

Oefenen met echte situaties

In dit leerjaar hoef je bijna niets te verzinnen. De situaties liggen voor het grijpen en zijn meteen herkenbaar.

  • Solden en promoties. Hoeveel kost dit na 30 procent korting? En wat is de korting in euro?
  • Een verbouwing of een tuin. Hoeveel vierkante meter, en wat kost dat aan verf, tegels of gras?
  • Een autorit. Hoe snel reden we gemiddeld? Hoelang duurt de terugrit aan 100 km per uur?
  • Een sportuitslag. Hoeveel procent van de wedstrijden werd gewonnen?
  • Een recept of een groot pak. Prijs per kilo vergelijken, en het recept omrekenen.

De verhoudingskant daarvan werkten we apart uit in ons artikel over vraagstukken met verhoudingen. Oefeningen per leerjaar vind je op onze pagina met vraagstukken.

In één oogopslag

VraagAanpak
x procent van een getalgetal : 100 x percentage
hoeveel procent is dit deeldeel : geheel x 100
prijs na kortingprijs min de korting, of meteen het overblijvende percentage
afstand op schaalafstand op plan x schaalgetal
snelheidafstand : tijd
kostprijs per oppervlaktelengte x breedte x prijs per m2

Tot slot

Het zesde leerjaar vraagt vooral dat de aanpak klopt en zichtbaar is. Kijk bij het nakijken daarom eerst naar de tussenstappen en pas daarna naar het eindantwoord: een fout in de aanpak kost volgend jaar meer dan een rekenfout. Neem deze week een echte korting of een echte autorit als oefening, dat werkt beter dan een blad met twaalf procentopgaven.

Welke vraagstukken komen in het zesde leerjaar aan bod?

Vooral procenten, kortingen, verhoudingen en schaal, snelheid met afstand en tijd, en oppervlakte in een realistische context. Bijna elk type vraagt twee bewerkingen na elkaar.

Hoe bereken je een percentage van een getal?

Deel het getal door 100 en vermenigvuldig met het percentage. 20 procent van 250 is 250 gedeeld door 100, dus 2,5, maal 20, dus 50.

Hoe bereken je hoeveel procent iets is?

Deel het deel door het geheel en vermenigvuldig met 100. 15 van de 60 leerlingen is 15 gedeeld door 60, dus 0,25, maal 100, dus 25 procent.

Hoe bereken je de prijs na korting?

Bereken eerst het bedrag van de korting en trek dat af van de prijs. Bij 25 procent korting op 80 euro is de korting 20 euro en betaal je 60 euro. Je kunt ook meteen 75 procent van de prijs berekenen.

Hoe bereken je snelheid?

Deel de afstand door de tijd. 150 kilometer in 2 uur geeft 75 kilometer per uur. Zoek je de afstand, dan vermenigvuldig je snelheid met tijd.

Wat verandert er bij de overstap naar het secundair?

Formules worden vaker verondersteld gekend, tussenstappen moeten zichtbaar zijn omdat er punten aan hangen, de eenheid telt mee in de beoordeling en de wiskundetaal wordt formeler.