In het kort. Veel methodes oefenen in het derde leerjaar onder meer deze zes types: samenvoegen, wegnemen, herhaald optellen, verdelen, vergelijken en een eerste soort met twee stappen. Dat is een handige indeling om mee te werken, geen officiële lijst — welke types aan bod komen en wat precies nieuw is, verschilt per methode en leerplan. Er wordt gerekend tot 1000 en met de tafels tot 10, meestal in situaties met geld, lengte en tijd.
Het derde leerjaar is het jaar waarin vraagstukken echt vraagstukken worden. In het eerste en tweede stond er vooral een som in een zinnetje. Nu komt er een verhaaltje bij, soms met een gegeven dat je niet nodig hebt, en af en toe met een tussenstap.
Hieronder staan zes types die in veel methodes terugkomen, met per type een voorbeeldopgave, in welk getallenbereik gewerkt wordt en waar kinderen het vaakst struikelen. Kijk voor de zekerheid ook even in de methode van je eigen school: de indeling en de volgorde kunnen daar anders liggen.
Op deze pagina
- Wat verandert er in het derde leerjaar?
- De zes types met een voorbeeld
- Het getallenbereik
- Waar kinderen struikelen
- Thuis oefenen zonder werkblad
Wat verandert er in het derde leerjaar?
Drie dingen tegelijk. De getallen worden groter, de tafels komen erbij en het verhaaltje wordt langer. Dat laatste is voor veel kinderen de grootste sprong: er staat meer tekst dan ze gewend zijn, en niet elke zin bevat een getal dat ze nodig hebben.
Ook nieuw is dat de bewerking niet altijd meteen in het oog springt. In het tweede leerjaar stond er vaak letterlijk samen of erbij. Nu moet je kind uit de situatie afleiden of er opgeteld, afgetrokken, vermenigvuldigd of gedeeld wordt.
De zes types met een voorbeeld
| Type | Wat er gebeurt | Voorbeeldopgave |
|---|---|---|
| 1. Samenvoegen | twee hoeveelheden bij elkaar | In de bib staan 245 prentenboeken en 168 leesboeken. Hoeveel boeken staan er samen? |
| 2. Wegnemen | er gaat iets af | Een doos bevat 500 stickers. Er zijn er al 175 gebruikt. Hoeveel blijven er over? |
| 3. Herhaald optellen | evenveel keer hetzelfde | Elke doos bevat 6 koeken. Hoeveel koeken zitten er in 7 dozen? |
| 4. Verdelen | eerlijk verdelen of opdelen | 24 kinderen worden verdeeld in groepjes van 4. Hoeveel groepjes zijn er? |
| 5. Vergelijken | hoeveel meer of minder | Sam heeft 36 knikkers, Nora heeft er 58. Hoeveel heeft Nora er meer? |
| 6. Twee stappen | eerst iets uitrekenen, dan pas de vraag | Je koopt 3 broodjes van 2 euro en betaalt met 10 euro. Hoeveel krijg je terug? |
Type 5 en type 6 zijn voor de meeste kinderen de lastigste, en in veel methodes ook de nieuwste. Bij vergelijken hoort een aftrekking terwijl er meer in de tekst staat, wat kinderen vlot in de war brengt. En type 6 vraagt een tussenantwoord dat nergens gevraagd wordt, maar dat je wel nodig hebt.
Het getallenbereik
| Bewerking | Bereik in het derde leerjaar |
|---|---|
| Optellen en aftrekken | tot 1000 |
| Maaltafels | tot en met de tafel van 10 |
| Delen | de deeltafels die bij die maaltafels horen |
| Geld | euro en cent, met eenvoudige kommagetallen |
| Lengte | meter en centimeter, soms kilometer |
| Tijd | uren, halve uren en kwartieren |
Die bereiken verschillen licht per methode, dus neem ze als richtlijn. Wat wel overal terugkomt, is dat de getallen in een vraagstuk bewust kleiner blijven dan in de kale sommen. De bedoeling is immers dat het denkwerk zichtbaar wordt, niet het rekenwerk.
Waar kinderen struikelen
- Het overbodige gegeven. Er staat een getal in de tekst dat je niet nodig hebt. Veel kinderen gebruiken alles wat ze zien.
- Vergelijken wordt optellen. Het woord meer in de vraag verleidt tot optellen, terwijl er een verschil gevraagd wordt.
- De tussenstap wordt overgeslagen. Bij type 6 rekenen kinderen 10 min 2 in plaats van eerst 3 keer 2 uit te rekenen.
- De eenheid verdwijnt. Het antwoord is 4, maar 4 wat? Euro, groepjes, koeken?
- Er wordt niet teruggelezen. De berekening klopt, maar beantwoordt een andere vraag dan die er staat.
Een vast stappenplan vangt de meeste van die valkuilen op. Dat werkten we uit in ons artikel over vraagstukken oplossen. Vermoed je dat het vooral aan het lezen ligt, kijk dan bij ons artikel over vraagstukken en begrijpend lezen.
Thuis oefenen zonder werkblad
Vraagstukken van het derde leerjaar liggen dicht bij het dagelijkse leven, dus je hoeft er weinig voor te verzinnen.
- In de winkel. Drie pakken koekjes van 2 euro, betalen met een briefje van 10: hoeveel krijg je terug? Dat is type 6, in het echt.
- Bij het dekken van de tafel. Zes borden, elk twee bestekken: hoeveel leg je er in totaal?
- Bij het opruimen. 24 blokjes verdelen over 4 bakjes.
- Onderweg. Nog 12 kilometer te gaan en we hebben er 38 gereden: hoeveel is de hele rit?
- Laat je kind zelf een vraagstuk verzinnen bij een som die jij geeft. Dat is de moeilijkste opdracht van allemaal en meteen de leerzaamste.
Oefeningen per leerjaar vind je op onze pagina met vraagstukken.
In één oogopslag
| Type | Bewerking |
|---|---|
| Samenvoegen | optellen |
| Wegnemen | aftrekken |
| Herhaald optellen | vermenigvuldigen |
| Verdelen | delen |
| Vergelijken | aftrekken |
| Twee stappen | twee bewerkingen na elkaar |
Tot slot
Wie weet welke zes types er zijn, kijkt anders naar een blad met vraagstukken. Vraag je kind bij het volgende huiswerk niet meteen naar het antwoord, maar naar het type: gaat dit over samenvoegen, wegnemen, verdelen of vergelijken? Die vraag alleen al brengt het denken op gang.
Bronnen en verder lezen
- Vlaanderen.be — Onderwijsdoelen — wat de overheid vastlegt, en wat dus per methode kan verschillen.
- Onderwijsdoelen.be — de minimumdoelen per leergebied, om zelf na te kijken.
Laatst inhoudelijk gecontroleerd: september 2026.
Veel methodes oefenen onder meer deze zes veelvoorkomende types: samenvoegen, wegnemen, herhaald optellen, verdelen, vergelijken en vraagstukken met twee stappen. De situaties gaan meestal over geld, lengte of tijd. Welke types precies aan bod komen, verschilt per methode.
Optellen en aftrekken gebeurt meestal tot 1000, en er wordt gewerkt met de maaltafels en deeltafels tot en met 10. Het precieze bereik verschilt licht per methode.
Om te oefenen op het selecteren van gegevens. In een echte situatie staat ook niet alles klaar wat je nodig hebt, en niets meer dan dat.
Een vraagstuk waarbij je eerst iets moet uitrekenen dat niet gevraagd wordt, voor je de eigenlijke vraag kunt beantwoorden. Bijvoorbeeld eerst de prijs van drie broodjes, en pas daarna het wisselgeld.
Laat het de twee hoeveelheden naast elkaar tekenen als twee strepen. Het verschil wordt dan zichtbaar, en het woord meer verleidt minder snel tot optellen.
Gebruik echte situaties: afrekenen in de winkel, de tafel dekken, blokjes verdelen of de resterende afstand onderweg. Laat je kind ook zelf een vraagstuk verzinnen bij een som die jij geeft.
