Tijdsduur berekenen: hoeveel tijd zit er tussen 9.40 en 11.15 uur?

In het kort. Tijdsduur bereken je het makkelijkst door te springen via het hele uur: eerst naar het volgende hele uur, dan de volle uren, dan de laatste minuten, en ten slotte alles optellen. Tussen 9.40 en 11.15 uur zit zo 20 minuten plus 1 uur plus 15 minuten, samen 1 uur en 35 minuten.

Tijdsduur is een van de weinige rekenonderwerpen waarbij het gewone aftrekken je in de steek laat. Je kind rekent 11.15 min 9.40 uit als een gewoon getal en komt op 1,75 uit. Klopt als komma, klopt niet als tijd. Dat verschil is precies waar dit onderwerp om draait.

Hieronder zetten we twee werkwijzen naast elkaar: springen via het hele uur en cijferen met zestigtallen. Beide leiden naar hetzelfde antwoord, maar ze passen bij een ander moment in de leerlijn.

Op deze pagina

  1. Waarom tijd rekenen anders werkt
  2. Methode 1: springen via het hele uur
  3. Methode 2: cijferen met uren en minuten
  4. Welke methode kies je wanneer?
  5. Oefenen en veelgemaakte fouten

Waarom tijd rekenen anders werkt

Ons gewone rekenen is tientallig: na 9 volgt 10, na 99 volgt 100. Tijd is zestigtallig: na 59 minuten volgt niet 60 minuten maar 1 uur. Een uur bestaat dus uit 60 stukjes, geen 100.

Daardoor betekent 11.15 niet elf komma vijftien, maar elf uur en vijftien minuten. Wie dat verschil niet ziet, rekent met de punt alsof het een komma is en komt telkens iets te laag of te hoog uit. Zeg het daarom hardop bij het oefenen: elf uur en vijftien minuten, niet elf punt vijftien.

Methode 1: springen via het hele uur

Dit is de werkwijze die in de meeste Vlaamse klassen het eerst aan bod komt. Je springt in stukken naar het eindtijdstip toe en telt je sprongen op.

  1. Spring naar het volgende hele uur. Van 9.40 uur naar 10.00 uur is 20 minuten.
  2. Spring de volle uren. Van 10.00 uur naar 11.00 uur is 1 uur.
  3. Spring de laatste minuten. Van 11.00 uur naar 11.15 uur is 15 minuten.
  4. Tel alles op. 20 minuten plus 15 minuten is 35 minuten, en daar komt 1 uur bij. Samen: 1 uur en 35 minuten.

Nog een voorbeeld: van 14.50 uur tot 17.05 uur. Naar 15.00 uur is 10 minuten. Van 15.00 naar 17.00 uur is 2 uur. Van 17.00 naar 17.05 uur is 5 minuten. Samen: 2 uur en 15 minuten.

Het voordeel van deze methode is dat je nooit hoeft te lenen. Elk stukje is een kleine, overzichtelijke sprong. Teken de sprongen desnoods op een getallenlijn, dan zie je meteen waar het antwoord vandaan komt.

Methode 2: cijferen met uren en minuten

Vanaf het vijfde en zesde leerjaar mag het ook korter: onder elkaar zetten en aftrekken, net als bij gewone getallen. Het enige verschil is dat je bij tekort niet 10 maar 60 leent.

StapUrenMinuten
Eindtijd 11.15 uur1115
Begintijd 9.40 uur940
15 min 40 kan niet: leen 1 uur1075
Nu aftrekken10 min 9 is 175 min 40 is 35

Het antwoord is opnieuw 1 uur en 35 minuten. De hele truc zit in die ene regel: een geleend uur is 60 minuten, dus 15 minuten wordt 75 minuten. Kinderen die gewend zijn om 10 te lenen, schrijven hier vaak 25 en komen dan 50 minuten te kort uit.

Welke methode kies je wanneer?

  • Derde en vierde leerjaar: springen via het hele uur. Het sluit aan bij het klokkijken zelf en vraagt geen extra regels. Zit het klokkijken nog niet vast, begin dan daar en lees ons artikel over klokkijken oefenen.
  • Vijfde en zesde leerjaar: cijferen mag erbij komen, zeker bij langere reeksen en bij opgaven met de digitale klok en dienstregelingen.
  • Twijfel je? Laat je kind hetzelfde vraagstuk met beide methodes oplossen. Hetzelfde antwoord langs twee wegen geeft vertrouwen, en het maakt zichtbaar welke weg voor dit kind het vlotst loopt.

Oefenen en veelgemaakte fouten

Tijdsduur oefent het prettigst met echte situaties. Hoelang duurt de rit naar oma? Hoeveel tijd zit er tussen het einde van de school en het begin van de training? Hoelang duurt die film volgens de tv-gids?

Vier fouten die vaak terugkomen

  • De punt als komma lezen. 1.35 is niet 1,35 uur. Schrijf het antwoord voluit: 1 uur en 35 minuten.
  • Tien lenen in plaats van zestig. Bij cijferen komt er altijd 60 bij, nooit 10.
  • De middag vergeten. Van 11.30 uur tot 13.10 uur springt de teller over 12 uur heen. Springen via het hele uur voorkomt dat.
  • Minuten boven de 60 niet omrekenen waar dat gevraagd wordt. 85 minuten is hetzelfde als 1 uur en 25 minuten. Beide notaties zijn juist: schrijf de duur in de eenheid die de opdracht vraagt.

Meer oefeningen rond tijd en tijdsduur vind je op onze pagina met oefeningen rond meten.

In één oogopslag

VraagZo pak je het aan
Hoeveel tijd tussen twee klokstanden?Spring naar het hele uur, dan de volle uren, dan de restminuten
Hoeveel minuten zitten er in een uur?60, geen 100
Hoeveel leen je bij cijferen?60 minuten per uur
Hoe schrijf je het antwoord?Voluit: 1 uur en 35 minuten
Wat bij meer dan 60 minuten?Omrekenen naar uren en minuten

Tot slot

Tijdsduur berekenen gaat mis zolang een kind tijd behandelt als een gewoon kommagetal. Zodra het in stukken leert springen, valt die struikelsteen weg en wordt de rest een kwestie van optellen. Neem deze week een paar echte tijden uit jullie eigen dag en laat je kind de duur berekenen. Dat werkt beter dan tien rijen sommen.

Liever meteen oefenen? De les kloklezen tot op het kwartier voor het derde leerjaar staat gratis online: de uitleg en alle oefeningen, zonder account en zonder betaalgegevens.

Hoeveel tijd zit er tussen 9.40 en 11.15 uur?

1 uur en 35 minuten. Van 9.40 naar 10.00 uur is 20 minuten, van 10.00 naar 11.00 uur is 1 uur en van 11.00 naar 11.15 uur is 15 minuten. Samen 1 uur en 35 minuten.

Waarom mag je tijd niet gewoon aftrekken?

Omdat tijd zestigtallig is. Een uur bestaat uit 60 minuten, geen 100. Wie 11.15 min 9.40 als kommagetallen aftrekt, rekent met honderdsten en komt op een fout antwoord uit.

Hoeveel leen je als je met tijd cijfert?

60 minuten, want dat is precies een uur. 11 uur 15 minuten wordt dus 10 uur 75 minuten zodra je een uur leent.

Vanaf welk leerjaar rekenen kinderen met tijdsduur?

Meestal vanaf het derde of vierde leerjaar, nadat het klokkijken zit. Cijferen met uren en minuten komt doorgaans in het vijfde en zesde leerjaar aan bod. De volgorde verschilt per methode.

Hoe reken je een duur van meer dan 60 minuten om?

Deel het aantal minuten door 60. Het hele getal zijn de uren, de rest zijn de minuten. 85 minuten wordt zo 1 uur en 25 minuten.

Hoe oefen je tijdsduur zonder werkblad?

Gebruik echte tijden: de duur van een tv-programma, de rit naar een familielid, de tijd tussen twee treinen in de dienstregeling of de duur van een sporttraining.